De oudste zoon

He, wie roept daar? Oh sorry, ik geloof dat ik droomde, ik moet vast even zijn ingeslapen… Gek he, dat droom ik de laatste tijd wel vaker. Ik zie mijn vader staan in de opening van de deur van de oude boerderij waar ik ben opgegroeid en hij roept mij met een vriendelijk gebaar: kom mee naar binnen, het is feest… Hij roept mij, maar ik, ik blijf staan bij het poortje van de tuin… Het lijkt wel nu ik ouder wordt alsof de herinneringen aan vroeger steeds vaker naar boven komen. Neem me trouwens niet kwalijk… ik, ik begin zomaar tegen u te praten terwijl u mij niet eens kent. Ik ben de oudste zoon uit het verhaal dat jullie zoeven gehoord hebben. Ik snap wel dat jullie mij niet meteen herkennen. Het is ook allemaal al zo lang geleden. Ik was toen dit speelde nog jong en nu, nu ben ik zelf oud, net als mijn vader toen. Zoals ik al zei, komen de herinneringen aan vroeger steeds vaker bij mij naar boven. In dromen, maar soms ook overdag. Ik zit vaak s avonds voor het raam voor me uit te staren. Ik mag graag de avondschemering inkijken en als ik dan zo zit te staren, kan het zomaar gebeuren dat mijn gedachten afglijden naar vroeger. Sommige herinneringen aan vroeger zijn prettig, maar er zijn er ook die pijnlijk zijn, waarvoor ik me schaam, zoals die keer dat mijn vader mij riep. Vanuit het raam kijk ik zo op het tuinhekje van ons erf. Het is nog steeds hetzelfde hekje als toen. In gedachte zie ik mezelf staan. Ik hoor de stem van mijn vader, maar blijf ook staan als was ik aan de grond genageld. Ik zie aan uw ogen dat u mij niet helemaal kunt volgen. Natuurlijk, dom van mij, ik begin ook zomaar te praten, misschien moet ik u het verhaal van mijn leven een keer van voor af aan vertellen, tenminste als u dat interesseert? Nou ja, een preek komt er vandaag toch niet meer, dus tijd hebt u wel. Staat u mij toe? 

Zoals gezegd kom ik van de boerderij. Dezelfde als waar ik nu nog woon. Hier ben ik geboren. Een gewoon gezin: vader, moeder en twee zonen en ik, ik, was de oudste van de twee. De boerderij van mijn vader was geen kleine boerderij. Nee, het ging hem in die tijd al behoorlijk voor de wind, we hadden zelfs knechten om ons te helpen bij het werk. In die zin hoefde ik mij over mijn toekomst geen zorgen te maken. Zelfs als we na de dood van mij vader de erfenis zouden verdelen, was er voor mij en mijn broer meer dan genoeg. Ja over mij broer gesproken! Hij was een heel ander type dan ik. Dat hoor je wel vaker dat er grote verschillen zijn tussen de oudsten en de jongsten van het gezin. Ikzelf was in die tijd best een brave Hendrik. Ik deed eigenlijk alles wat mijn ouders mij vroegen. Ik denk dat ik me ook verantwoordelijk voelde, ook voor mijn jongere broertje. Hoe dat komt, dat weet ik niet, misschien omdat er al heel vroeg naar mij gekeken werd. Ik zou later, als oudste zoon de boerderij overnemen, dat was nu eenmaal zo bepaald en als oudste zoon moest ik vaak het goede voorbeeld geven. Ergens voelde ik dus van jongs af aan al een soort verantwoordelijkheid op mijn schouders rusten. Mijn broer was heel anders. Hij was veel avontuurlijker, soms ook roekeloos. Het leek wel alsof hij het woord verantwoordelijkheid niet kende. Hij maakte zich nergens druk om, deed vaak gewoon waar hij zin in had. Ja, als mijn ouders hem berispten, deed ik daar soms net zo hard aan mee, ik vond ook dat hij wel eens wat vaker kon helpen, wat minder aan zichzelf moest denken. En toch, ergens was ik, denk ik, ook wel jaloers op hem. Niet in die zin dat ik het hem niet gunde, maar meer dat hij de dingen deed die ik zelf diep in mijn hart ook graag had willen doen. Op een dag had hij weer zo’n wild idee. Hij ging naar mijn vader en vroeg om zijn deel van de erfenis. Ik weet dat klinkt voor jullie misschien wat vreemd in de oren. Jullie wachten netjes tot iemand dood is en verdelen dan pas de erfenis of maken soms zelfs ruzie, maar bij ons komt het verdelen van de erfenis tijdens het leven wel vaker voor. Het was gewoon zijn deel van het bezit waar mijn broer recht op had en om vroeg. Mijn vader liet er een paar dagen overheen gaan, ik denk om tijd te nemen om er over na te denken. Ik weet niet steeds niet goed waarop ik dat baseerde, maar ik ging er ergens van uit dan mijn vader het nooit zou toestaan. Als er iemand onvolwassen was en nog niet klaar voor het leven, dan was het mijn broer wel. Ik was dan ook met stomheid geslagen toen mijn vader met zijn verzoek instemde. Zonder moeilijk te doen, gaf hij hem zijn deel en daarbij ook nog eens zijn zegen: het ga je goed jongen, hoorde ik hem nog zeggen. Mijn broer mocht met zijn erfdeel doen wat hij wilde, er waren totaal geen voorwaarden. Het zou wel goed komen, zei mijn vader, ook tegen mij. Eigenijk was ik toen al boos, maar ja dat liet ik niet blijken. Ik begreep gewoon niet dat mijn vader zo onverantwoordelijk kon zijn. Kijk we waren wel in goede doen, maar rijk waren we nou ook niet. Om nou zomaar met ons bezit te gaan strooien… wat dat betreft had mijn vader er net zo goed mee kunnen gaan gokken. Dat zou op het zelfde neer komen. Een paar dagen later hoorden wij dat mijn jongste broer alles verkocht had. Zie je wel, zei ik nog tegen mijn vader, hij kan er niks van. U hebt hem de helft van het bezit gegeven om net als u een goede boer te worden en hij maakt het allemaal te gelde om op avontuur, op reis te gaan. Nou u zult het zien, er komt niets van terecht. Vervolgens hoorden wij een paar jaar niets meer van hem. Mijn broer was naar het buitenland gegaan, maar wij wisten niet waar hij was en hoe het met hem ging. Niet eens een kaartje kwam er. Ik zag wel dat mijn vader daar heel veel verdriet van had, maar als ik er wat van zei, dan wuifde mijn vader het weg. Het leek wel alsof hij het altijd voor mijn broer op nam. Hij zal het wel te druk hebben, of misschien was dat kaartje ergens blijven hangen, of misschien wilde hij geen kaartje sturen om zo mijn vader geen pijn te doen. Altijd probeerde mijn vader het goed te praten, maar ik, ik was boos, op mijn broer die geen verantwoordelijkheid kende, op mijn vader die zo gemakkelijk reageerde, maar misschien nog wel meer op mijzelf, tenminste dat denk ik nu na vele lange jaren. Want ja, u moet weten dat na het vertrek van mijn broer het werk op de boerderij wel gewoon doorging en niet alleen dat. Het feit dat mijn vader de helft van zijn bezit had wegschonken betekende ook nog eens dat we veel minder land en dus inkomsten hadden. Ook hadden we minder knechten. Het kwam er op neer dat ik veel meer moest doen. Ik werkte keihard, ik vond ook dat ik dat moest doen, want, zo dacht ik, als iemand de situatie moest redden, was ik het wel… Nee, ik hoefde geen officieel bedankje en als mijn vader een keer zijn waardering liet blijken, dan wuifde ik dat weg: wat ik doe is toch normaal…. Ik weet niet of hij het hoorde maar ergens klonk in die opmerking ook altijd een verwijt naar mijn broer; wat ik doe is toch normaal. Toch hunkerde ik, zo zie ik nu, diep van binnen naar waardering. Eigenlijk was ik heel mijn leven door hard te werken bezig de liefde van mijn vader te verdienen. Ik wilde dat hij trots op me kon zijn, al liet ik dat dus niet zo blijken. Zo gingen de jaren voorbij. Thuis gebeurde er niet veel bijzonders. De seizoen kwamen en gingen en stilaan werden we ouder. Tot op een goede dag iedereen plotseling in rep en roer was. Opeens, na al die jaren, zomaar uit het niets, kwam mijn broer weer thuis. Mijn vader moet in dezelfde stoel gezeten hebben, als waarin ik nu zit… Over het tuinhekje kon hij zo de weg afkijken… Ik dacht altijd dat hij in die stoel zat om te genieten van de bloemen in onze voortuin, maar pas later begreep ik dat hij daar zat om te kunnen turen in de verte. Altijd was zijn blik gericht op dat punt waar de weg omsloeg in een bocht, altijd hopend dat daar iets ging gebeuren. Het was op een middag, aan zijn typische manier van lopen had mijn vader hem al herkend. Die jongen die daar aan het einde van de weg de bocht om kwam was niet zomaar een bezoeker, nee het was mijn broer. Normaal liep mijn vader niet meer zo hard, maar nu wist hij niet hoe snel hij naar buiten moest gaan. Hij rende mijn broer tegemoet. Hij viel hem om de hals en wuifde elke verontschuldiging van mijn broer weg. Zo blij was mijn vader hem weer te zien. Er werd die nog diezelfde middag een groot feest aangericht. Het gemeste kalf werd geslacht, mijn broer kreeg dure kleren aan en een ring aan zijn vinger, alsof hij nog nooit was weggeweest. Ik was die dag op het werk aan het land. Toen ik thuiskwam merkte ik al dat er iets bijzonders was. Sinds dat mijn broer vertrokken was, lag er altijd een soort van somberheid over ons huis en nu hoorde ik vrolijke muziek, lachen, praten en er werd zelfs gedanst. Eén van de knechten kwam naar mij toe gelopen, maar eigenlijk hoefde hij niet veel te zeggen. Ik begreep al lang wat er aan de hand was: mijn broer was terug, dit kon niet anders. Ik kan niet zeggen dat de blijdschap die van de boerderij kwam op mij oversloeg, integendeel. Ik weet niet wat ik was, maar ik voelde een soort boosheid in mij opkomen waarvoor ik geen woorden had. Ineens kwam alles eruit: ik voelde mij totaal niet gezien en niet gekend. Hadden ze niet eens kunnen wachten totdat ik thuis was? En hoezo, zo’n groot feest. Al die jaren heb ik mij uit de naad gewerkt en nog nooit heeft iemand voor mij een feest gehouden, niet eens een klein geitje werd mij gegund, laat staan een gemest kalf. Met elke stap dat ik dichterbij kwam voelde ik het bloed door mijn aderen stromen. Tegen de tijd dat ik bij het tuinhekje was, kookte mijn bloed van woede. Op dat moment kwam mijn vader naar buiten. Hij was in een vrolijke stemming die ik al in geen jaren meer had gezien. Kom mee naar binnen zei hij: je broer is weer thuis… Ik zei al: als ik eraan terugdenk schaam ik mij. Wat ik toen heb uitgekraamd, was buiten alle proportie. Ik schreeuwde: voor die zoon van jou houd je wel een feest terwijl er voor mij nog nooit een bedankje afkon. Door het zo te zeggen had ik de band met mijn broer eigelijk al doorgesneden. Ik wilde er niet van weten. Ook zei ik: hij heeft uw geld verkwist met hoeren. Ik verzon maar wat, in blinde woede, omdat ik het niet begreep. Hoe kon mijn vader zo vergevingsgezind zijn. Ik bedoel er had toch eerst een hartig woordje gesproken moeten worden. Er had toch terugbetaald moeten worden in plaats van ons geld te verspillen aan een duur feest. Mijn vader bleef kalm. Ik zag in zijn ogen tranen: kind, kom toch binnen zei hij. Alles wat van mij is, is toch ook van jou. Wat hij daar zei was het mooiste wat een mens kan horen, maar ergens kwam het niet bij mij binnen. Dat lag niet aan mijn vader, maar aan mij. Wat had hij nog meer moeten doen om mij duidelijk te maken dat hij van mij hield. Ik zou het niet weten. Ja, aan dat moment denk ik nog heel vaak terug, zeker nu ik ouder wordt. Als ik dit verhaal vertel, vragen mensen mij altijd wat ik toen heb gedaan, of ik uiteindelijk naar binnen ben gegaan of ben blijven staan. Ze zijn altijd verbaasd als ik dat niet wil zeggen. Ik zeg dat niet, want achteraf heb ik gezien dat het niet alleen dat moment was, toen, maar dat ik ook daarna nog tal van keren in mijn leven voor het tuinhekje heb gestaan. U misschien ook wel? Tal van keren klonk de uitnodiging om naar binnen te gaan, maar steeds was het iets in mijzelf dat dat in de weg stond. Nu, nu ik oud ben, weet ik wel wat dat is. Het is het gevoel dat ik had miskend te zijn, dat niemand mij zag, dat anderen het altijd beter hebben dan ik, dat je de laatste bent in de rij die gekozen wordt. Jullie noemen mijn broer de verloren zoon, maar klopt dat wel? Was ik het eigenlijk niet, die verloren was. Achteraf heb ik wel eens gedacht: mijn broer had het makkelijker. Hij zat op een bepaald moment daar in het buitenland zo aan de grond dat hij wel moest terugkeren. Niet dat dat zomaar ging, bepaald niet. Ook hij moest zichzelf onder ogen komen. Maar ik, ik ben dat avontuur nooit aangegaan. Misschien is dat wel veel moeilijker: omdraaien als je nooit weg bent geweest. Ik bedoel dus, gaan zien, dat het leven jouw goed gezind is, dat je niets te kort komt, en dat je de liefde van je vader niet hoeft te verdienen, maar dat je die al lang hebt. Mijn vader had genoeg liefde voor twee zonen en ik denk nu wel eens en voor nog veel meer… Ja als ik dat zo denk en ik zit in mijn stoel voor het raam, dan wil ik eens mijn handen vouwen/ Ik bidt dan zachtjes: God, ik dank u dat u mij ziet, mij kent, ja dat u mij liefhebt en ook bid ik: God, laat mij worden als mijn vader, laat ook mij vrijuit kunnen geven, laat mij verkwistend leven, zodat ik liefde kan geven aan al wie daar om vraagt, zonder tegenprestatie of wat dan ook. Lieve mensen, ik zie dat ik u al weer veel te lang heb opgehouden met mijn verhaal. Ach misschien is het ook wel uw verhaal, maar weet het is ook voor u nooit te laat: uw Vader wacht en roept: kom gauw naar binnen, want het is feest.

Voeg toe aan je favorieten: Permalink.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.